Van een rode soepkom sla ik twee oortjes af. Verder sla ik allerlei potjes aan diggelen, rode, blauwe en groene. Op mijn bureau ligt al jaren een roestige nagel van een doodskist. Ook die neem ik mee.
Het idee zit in mijn hoofd, nu de mozaïektegel nog. In het midden van de tegel leg ik de twee ringen naast elkaar. Trouwringen van Anat en Isaac, die in Israel zouden gaan trouwen.

De nagel splijt de twee ringen van elkaar. De hoop (groen) is vervlogen. Tongen van vuur (rood) lekken langs de hemel (blauw).
Brandende liefde, verzengende hitte. Er valt een gat. Het is voorbij. Duizend bloemen worden duizend mozaïeken.