Publicaties Herdenkingskrant Een deel van mijn hart is weggeslagen

Een deel van mijn hart is weggeslagen

Voor degenen die een dierbare verloren bij de ramp, blijft het intense verdriet een gapende wond die nooit heelt. Mevrouw Ivy Davelaar verloor bij de ramp haar zoon en schoondochter. Het contact met andere nabestaanden in de Stichting Nabij zorgde ervoor dat ze het idee had eindelijk haar pijn te kunnen delen.

'Het leven nu gaat redelijk goed. Mijn werk gaat prima, privé is het nog moeilijk. Dat is als je aan het dagelijks leven denkt. Maar terugdenken aan de ramp is een heel andere dimensie. Ik heb mijn zoon en mijn schoondochter verloren. Ik kan er nu wat gemakkelijker over praten dan een paar jaar terug. Toen was het onmogelijk voor me om met iemand te praten, die me nauwelijks kan begrijpen. Maar als je met iemand praat die hetzelfde heeft meegemaakt, zit je op dezelfde golflengte en kan het heel waardevol zijn om de pijn te delen.

Praten over je verlies maakt dat alles weer loskomt. Soms duurt het dagen voordat je weer een beetje normaal kunt functioneren. Dat is ook zo als er een ramp gebeurt, vooral een vliegtuigongeluk. De beelden van de vliegtuigen van 11 september bijvoorbeeld, waren verschrikkelijk. Je wordt weer teruggeworpen in die put. Ik was drie dagen volledig van de kaart. Twee dagen heb ik steeds naar die beelden gekeken, en de derde dag werd ik ziek. Ik kon niet meer slapen. Je ziet zo'n vliegtuig een toren invliegen en denkt bij jezelf: Zo heeft het eruitgezien. Zo is mijn zoon omgekomen.

Ik heb geen therapie gekregen. In de eerste maanden nadat het gebeurd was, ben ik naar de Riagg geweest. Ik woon in Haarlem, en ben via mijn huisarts naar een therapeut doorverwezen. Het was een vrouw. Ze vroeg me, heel koud, om mijn verhaal te vertellen. Ik ben haar gaan vertellen hoe het was. En na een paar minuten hield ik op. Weet u wat, zei ik, ik ga weg. Want u begrijpt me gewoon niet. Toen ben ik naar mijn huisarts gegaan en heb hem gezegd dat ik niet meer naar de Riagg ging, omdat die mensen me niet kunnen begrijpen. Wat ik voel, welk verdriet ik heb, begrijpen zij niet.

Ik had ook een maatschappelijk werker. Dat ging redelijk, maar die was meer ingeschakeld in het kader van een rechtszaak over mijn kleinzoon. De familie heeft mijn kleinzoon meegenomen.

Enorme kracht

Na 1993 praatte ik met niemand over de Bijlmerramp. Kennissen en familieleden wisten dat ik er niet over wilde praten. Tot ongeveer 1996. Ik was in contact gekomen met Dominee Ruft. Hij begon eerst erover te praten. Eerst kon ik alleen maar luisteren. Maar ik had eindelijk iemand gevonden met wie ik mijn verdriet kon delen. Toen werd ik ook uitgenodigd om naar een bezinningsbijeenkomst te komen van de Stichting NaBij. Ik ging naar een avond met zo'n zeven, acht vrouwen. Iedereen werd voorgesteld. Ik ook: Dit is mevrouw Davelaar, ze heeft haar zoon en schoondochter verloren. Vervolgens begon iedereen te vertellen over wie ze verloren hadden. En hoe ze het verdriet en het verlies hebben ervaren. Toen kwam mevrouw Truideman aan het woord. Ik bleef haar aankijken, het was voor het eerst dat ik haar ontmoette. Terwijl ze haar verhaal vertelde, begonnen mijn tranen onophoudelijk te stromen. Ik kon niet ophouden met huilen. Ik dacht: Mijn God. Mijn hele wereld is ingestort. Ik heb een zoon verloren. Ik heb nog twee dochters. Maar die mevrouw had twee kinderen. En ze heeft ze alle twee verloren. Als ik me al zo kapot voel, hoe moet zij zich dan wel niet voelen? Ik had enorm veel bewondering voor haar. Dat je dan toch de kracht hebt om door te gaan. Ik zei: Ik heb zo'n verdriet, een deel van mijn hart is weggeslagen. En ik dacht: Hoe kan zij zo sterk zijn? Ze zat wel te huilen, maar ze had ook een enorme kracht. Dat ze er zo over kon praten.

Woede

Toen besefte ik, ik ben niet de enige. Waar ik altijd dacht dat niemand me zou begrijpen, omdat ik mijn kind was verloren, besefte ik nu dat er mensen waren met dezelfde pijn. Of met zelfs nog meer verdriet.

Dominee Ruff kwam bijna elke week bij mij thuis, en zo begon ik erover te kunnen praten. Ik ben zelfs interviews gaan geven. Hoewel het soms heel zwaar is, is het toch gemakkelijker om erover te praten.

Je leven is zo veranderd. Ik ben een heel andere vrouw dan tien jaar geleden. Ik leef bij de dag, maak heel weinig plannen. Vandaag ben je er, morgen ben je er niet.

Het geloof is wel een steun. Ik praat heel veel met God. Ook al die tijd dat ik nog alleen zat. Na mijn verlies was ik zo kwaad.

Razend op God. Waarom laat je mij zo iets overkomen? Waarom ik? Soms scheld ik Hem uit. Maar later vraag ik weer vergeving. Want Hij geeft me de kracht om verder te gaan. Altijd als ik in de put zat, heeft Hij me kracht gegeven om door te gaan. Ik heb nog twee dochters. Het leven gaat door. Ik denk ook dat alles gebeurt met een betekenis. En dat vraag ik ook steeds, wat de betekenis is. Waarvóór is mijn zoon overleden? Maar tot nu toe heb ik het antwoord niet gekregen. En toch geloof ik niet dat het de wil van God is om Zijn kinderen pijn te doen.

In een paar seconden zijn al je dromen weg

Ik woonde ten tijde van de ramp al in Haarlem. Daarvoor woonde ik in de Bijlmer. De kinderen hadden daarom ook hun meeste vrienden en vriendinnen in de Bijlmer. Die twee gingen dan ook bijna ieder weekend naar de Bijimer toe. Die zaterdag waren ze gekomen, en die zondag ook. Mijn zoon was met de brommer gekomen en zijn vriendin, samen met het kleintje, met de trein. Ik denk dat ze hadden besloten om naar de bioscoop te gaan.

Ze had niet genoeg melk bij zich. En toen gingen ze op die brommer die melk halen. Op dat tijdstip. Hun zoontje was achtergebleven bij hun vrienden. Ze gingen een pakje melk halen. Als ze een minuutje eerder waren vertrokken ... Een minuutje later. Maar ze waren om half zeven net onder die flat heen

Er spoken zoveel dingen door je hoofd. Als ik toch in Amsterdam was blijven wonen, was het niet gebeurd. Maar aan de andere kant. Als iets moet gebeuren, gebeurt het toch. Waar je ook bent.

In een paar seconden zijn al je dromen weg. Want met je kinderen maak je dromen. Dat ze iets of iemand worden. Dat ze op het rechte pad blijven. Plotseling is alles weg.

Op wie moet je kwaad worden? Je hebt een gevoel van boosheid, maar het is machteloos. Ik was vooral kwaad op God, omdat ik zo gelovig was. Later hebben ze me eens gevraagd of ik niet kwaad was op EI Al, of op de overheid. Dat ben ik niet. Want het zijn allemaal mensen, ze kunnen fouten maken. Als ik iemand een verwijt moet maken, dan is het alleen degene die het vliegtuig met zoveel mankementen de lucht heeft in laten gaan, daar ben ik boos op. Die hadden moeten controleren.

Op mijn Kamer heb ik een foto van mijn zoon. Elke dag steek ik een kaarsje voor hem aan. Hij is zeventien jaar geworden.