Publicaties Herdenkingskrant Je kunt naderhand aan niemand uitleggen wat je gezien, geroken, gevoeld hebt.

Je kunt naderhand aan niemand uitleggen wat je gezien, geroken, gevoeld hebt.

Dineke Klanke–Heil werkte als vrijwilliger bij de RVHV, de Regionale Vrijwillige Hulpverlening, die ressorteerde onder de Brandweer. De vrijwilligers, vaak mensen met gewone kantoorbanen waren opgeleid voor rampen, maar hadden voornamelijk geleerd hoe ze eerste hulp moesten bieden. Ze hadden geleerd hoe ze gewonden moesten verzorgen.

Tijdens de Bijlmerramp werden ze dag in dag uit ingezet om slachtoffers te zoeken en te bergen.

 'We waren net thuis van een dagje strand en zaten net aan een bak erwtensoep. Toen belde een collegaatje, die zei: 'Er is een vliegtuig neergestort in de Bijlmer. Je moet paraat zijn.' Ik zei: 'Dat zal wel zo'n sportvliegtuigje zijn.' 'Nee hoor,' zei ze, 'er is echt iets aan de hand. Ik heb het hier gehoord.' We moesten vanuit Zuidoost naar het Westelijk Havengebied, onze oproepplek. Van daaruit gingen we dan naar de rampplek. Maar we kwamen haast niet door het verkeer. Het was een enorme chaos. Toen hebben we de parkeerlichten aangedaan, en heb ik mijn helm opgezet, zodat mensen konden zien dat ik hulpverlener was. Zo hebben we ons al toeterend een weg door het verkeer gebaand. Vanuit de opleidingsplaats zijn we met grote trucks naar de Bijlmer gegaan.

Vuur en stilte

En als je daar komt...
Het is net een film. Ik kan me de verlichting herinneren op het wegdek. Die oranje gloed. Overal politiewagens op de dreef. Er liepen mensen over de weg heen. We zaten in trucks, dus de flat zagen we nog niet. Je keek uit op de achterklep. We mochten niet uit de wagen, want er was nog geen brand meester gegeven. Op een gegeven moment ben ik op de klep geklommen om om de wagen heen te kunnen kijken. En toen zag ik wat er aan de hand was. Onbeschrijfelijk. Wat is dit?

'Naast ons stond een GVB bus te wachten, en daar werden mensen in gebracht. En wat mij nog heel erg bijblijft, is het stille van die mensen. Ze gingen zitten, maar de meesten toonden totaal geen emotie. Het was te onwerkelijk, ze waren totaal in shock. Die stille gezichten maakten diepe indruk op me.

Het Sigmateam van het Rode Kruis had de weinige gewonden al geholpen. Toen wisten we dat dat aantal laag was, anders hadden ze ons daar ook bij ingezet.

Heel veel komt tegelijk op je af. De indruk van de stilte, nergens schreeuwende slachtoffers. Het enige geluid is de aggregrator van de Brandweer, en commando's van de aanwezige hulpverlenende instanties.

Hoe naar het ook is, je moet het onder ogen zien

We moesten lang wachten voordat we aan de slag konden. Je had met verschillende diensten te maken. Met ons, als rampenbestrijdingseenheid, dan met de beroepsbrandweer, de politie, de GGD en het RIT, het Rampen Identificatie Team. Die organisaties moesten met elkaar gaan uitmaken wie aan de slag ging, en waar en hoe. Daarnaast duurde de brand heel lang, omdat de hoofdkraan van de gasleiding precies op dat punt zat. En je mag pas hulp gaan verlenen als de situatie voor de hulpverleners veilig is, anders riskeer je nog meer slachtoffers.

Dezelfde avond zijn we in twee ploegen gedeeld. Een ploeg bleef daar, de andere ging terug naar het opleidingscentrum om een paar uur te slapen, wat natuurlijk niet lukte. Daar was ik bij. De volgende morgen gingen wij terug. We moesten een flat–inspectie doen om te kijken of er nog mensen in de flats zaten. Deuren gingen niet meer goed open en dicht, de flat was helemaal verwrongen. Het was eng daar te lopen, je had het idee dat de boel elk moment onder je voeten kon instorten. We konden niet te ver.

Trauma's

Ik ben ziekenverzorgende. Ik was het meest gewend om met dood en doden om te gaan. Ze vast te houden, ze te wassen, aan te kleden. In tegenstelling tot mijn collega's, die vaak een kantoorbaan hadden. Zij hadden totaal geen ervaring met doden. Misschien hooguit met een opgebaarde opa of oma. Ik had steeds het gevoel dat ik ze hoe dan ook hier doorheen moest helpen.

Ik heb ze geadviseerd bij het bergen van een slachtoffer niet naar het gezicht te kijken. Dat is te persoonlijk. Maar ik kon ze verder niet helpen.

In tegenstelling tot sommige collega’s woonde ik ook nog eens in de Bijlmer. Ik was hulpmoeder op een school in Zuidoost. Er was een kind vermist uit mijn zoon zijn klas. Ik heb op die puinhopen gebeden: laat ik dat kind alsjeblieft niet vinden. Want dat had ik niet aangekund. De enige manier hoe ik aan de slag kon gaan was: blik op oneindig, verstand op nul en werken. Ik ben altijd iemand: hoe naar iets ook is, je moet het onder ogen zien. Je schakelt je gevoelens uit. Naderhand ga je natuurlijk wel nadenken, en dan moet je je gevoelens wel toelaten. Want als je je er dan voor afsluit, loop je vast. Je moet er doorheen om het te verwerken.

Aan het hek zag je de mensen staan. Hoopvol dat er nog iemand levend terug kwam. Voor hen hebben we gezocht. Hoopten we dat we nog iets zouden vinden dat ze tenminste konden begraven. Er waren zoveel vermisten in het begin. Hoewel er nog steeds vermisten zijn, vanwege de illegalen die er woonden. Sommigen zul je nooit achterhalen.

Weinig steun en waardering

Ik heb zitten huilen toen ik na 11 september zag hoe het publiek applaudisseerde voor de hulpverleners. Bij het verwerken hebben we weinig support gehad. Je moest het allemaal zelf met elkaar oplossen, samen met je commandanten en je instructeurs.

Maar van buiten af viel het tegen. Nergens steun dat je dit werk aanpakte. Iedereen nam het gewoon als voor vanzelfsprekend aan. Niemand weet ook eigenlijk wie wij waren. Iedereen gaat er van uit dat het de Brandweer was of zo, die dag in dag uit slachtoffers heeft gezocht en geborgen. Niemand beseft wat voor mensen daaraan hebben gestaan. De Brandweer heeft ook geholpen, maar zij werden afgewisseld. De ene dag stonden de jongens van de Rozengracht er, de volgende dag kwam er een korps uit bijvoorbeeld Driemond. Wij stonden er constant, al die dagen. Alleen naar huis om een paar uur te slapen.

Een paar maanden geleden is een aantal hulpverleners van de Twin Towers naar Amsterdam gekomen om het monument te bezoeken en met oud–hulpverleners te praten. Nu, zo vlak na dat bergen, beseffen ze nog niet dat ze hulp nodig hebben. Maar straks komt het allemaal boven, en dan begint het verwerken.

En dan kan je aan niemand uitleggen wat je hebt gezien, geroken, gevoeld. Alleen aan je collega's. Die hebben hetzelfde meegemaakt.